
Jurisprudentie
AN8857
Datum uitspraak2003-11-20
Datum gepubliceerd2003-11-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200302375/4
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-11-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200302375/4
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 11 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Ermelo het bestemmingsplan “Buitengebied Agrarische Enclave” vastgesteld.
Uitspraak
200302375/4.
Datum uitspraak: 20 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van:
het college van burgemeester en wethouders van Ermelo,
verzoeker,
om het opheffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht)
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Ermelo het bestemmingsplan “Buitengebied Agrarische Enclave” vastgesteld.
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft bij zijn besluit van 25 februari 2003, nr. RE2002.77656, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit heeft onder meer de regionaal inspecteur VROM, regio Oost beroep ingesteld. Hij heeft tevens verzocht om gedeeltelijke schorsing van het bestreden besluit.
Bij uitspraak van 7 augustus 2003, no. 200302375/2, heeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak het verzoek toegewezen en eerder genoemd besluit bij wijze van voorlopige voorziening gedeeltelijk geschorst.
Bij brief van 9 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op
10 oktober 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening gedeeltelijk op te heffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 november 2003, waar verzoeker, vertegenwoordigd door ing. E.J. Bilder, wethouder van de gemeente en J.P. Zwijnenburg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is daar gehoord het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem.
De regionaal inspecteur VROM, regio Oost is met bericht van afwezigheid, niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan heeft betrekking op het deel van het Ermelose buitengebied dat in de zogenoemde Agrarische Enclave binnen het Centraal Veluws Natuurgebied ligt. De doelstelling van het plan is het vinden van een nieuw evenwicht tussen het gebruik van gronden voor landbouw en natuur.
2.3. In zijn uitspraak van 7 augustus 2003, no. 200302375/2, heeft de Voorzitter onder meer het volgende overwogen:
”Voorzover het verzoek zich richt op de omvang van bestaande agrarische bouwpercelen in de natuurrandzone en de aldus bij recht toegestane bouwmogelijkheden overweegt de Voorzitter dat het verzoek in zoverre noopt tot nader feitenonderzoek, waarvoor deze procedure zich minder goed leent. In afwachting van de behandeling in de bodemprocedure acht de Voorzitter het niet wenselijk dat in het plangebied in zoverre onomkeerbare ontwikkelingen zullen plaatsvinden.”
2.4. Verzoeker heeft aangevoerd dat de schorsing van het bestreden besluit, voor zover dit betreft de bij recht toegestane bouwmogelijkheden op het agrarische bouwperceel [locatie 1], een onoverkomelijk probleem oplevert voor pachtboer [partij]. Deze wil een gedeelte van de pachtboerderij van de stichting “Het Geldersch Landschap” verplaatsen van de [locatie 2] naar de [locatie 1]. Ten behoeve van deze verplaatsing is de bouw van een potstal noodzakelijk. Voornoemde schorsing vormt een beletsel voor het afgeven van een bouwvergunning.
Uit nader overleg tussen [partij], de stichting “Het Geldersch Landschap” en de regionaal inspecteur VROM, regio Oost is echter gebleken dat de regionaal inspecteur geen bezwaar heeft tegen de oprichting van een potstal aan de [locatie 1].
De Voorzitter is verder niet gebleken van spoedeisende belangen die zich verzetten tegen opheffing van de schorsing van het bestreden besluit in zoverre.
2.5. Gelet op het voorgaande wijst de Voorzitter het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening in zoverre toe.
2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De Voorzitter ziet verder in dit geval geen aanleiding verweerder te gelasten het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
heft op de schorsing van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 25 februari 2003, nr. RE2002.77656, voor zover dit betreft de bij recht toegestane bouwmogelijkheden op het agrarisch bouwperceel [locatie 1] voor zover dit ligt in de natuurrandzone, zoals aangegeven op de bijbehorende gewaarmerkte kaart.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Dolman w.g. Klein Nulent
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2003
218-427.

